Janita van Gastel
Juustiversity
maart 2018

Vormvrije m.e.r.

Hoe zit dat?

Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. Dit heeft gevolgen voor het uitvoeren van de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hoe zit dat nu precies bij bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken?

Indien een bestemmingsplan een ontwikkeling mogelijk maakt die in de D-lijst van het Besluit m.e.r. is opgenomen, maar onder de daarin genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd. Tot 7 juli 2017 kon in de toelichting van een bestemmingsplan volstaan worden met een korte beschrijving van de milieu-effecten en de conclusie of het doorlopen van een plan-mer nodig werd geacht. In de praktijk kwam dit vaak neer op een verwijzing naar de beschrijving van de milieu-aspecten en de conclusie dat een plan-m.e.r. niet nodig was.

Sinds 7 juli 2017 dient hier anders mee te worden omgegaan voor bestemmingsplannen die ontwikkelingen mogelijk maken die onder de drempelwaarde van de activiteiten in de D-lijst vallen en waarvan het bestemmingsplan als besluit in kolom 4 is genoemd (zoals bij D11.2 stedelijk ontwikkelingsproject). De vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet zo vormvrij als de naam doet vermoeden. Er dient getoetst te worden aan de criteria uit bijlage III bij de Europese richtlijn ‘betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’. De hoofdcriteria bestaan uit:

  • de kenmerken van het project;
  • de plaats van het project;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Daarbij dient onderzocht te worden of er sprake is van cumulatie met (milieu-effecten van) andere ontwikkelingen in de omgeving, het risico op zware ongevallen en/of rampen en er dient nu ook ingegaan te worden op maatregelen die genomen worden om de effecten doeltreffend te verminderen. Waar mogelijk dienen deze maatregelen in het bestemmingsplan geborgd worden.

Bevoegd gezag
Het bevoegd gezag dient voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen. Deze beslissing hoeft niet gepubliceerd te worden. Wie is het bevoegd bij een bestemmingsplan? In feite is dit de raad, omdat deze het bestemmingsplan vaststelt. Echter is in de Wet milieubeheer aangegeven, dat onder bevoegd gezag verstaan wordt het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het voorbereiden dan wel vaststellen van een plan of een besluit. Bij bestemmingsplannen is het college het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het voorbereiden ervan.  In dat kader zou het college het bevoegd gezag zijn. Door er voor te kiezen om de raad het college te mandateren, kan het college de m.e.r.-beoordelingsbeslissing nemen en is er geen discussie wie het bevoegd gezag is. Daarmee wordt tevens onnodige vertraging in de procedure voorkomen. Het college dient toch al een besluit te nemen over het vrijgeven van het bestemmingsplan voor de terinzagelegging. Voorafgaand hieraan kunnen zij de dan de m.e.r.-beoordelingsbeslissing nemen.

Initiatiefnemer
Qua procedure wordt er onderscheid gemaakt in initiatiefnemer. Is de initiatiefnemer niet gelijk aan het bevoegd gezag? Dan dient door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie (vormvrije m.e.r.-beoordeling) ingediend te worden, waarna het bevoegd gezag binnen een termijn van zes weken de m.e.r.-beoordelingsbeslissing aan de initiatiefnemer kenbaar moet maken. In gevallen waarin er geen sprake is van een verzoek om een bestemmingsplan(herziening) vast te stellen en het bevoegd gezag dus zelf initiatiefnemer is, is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Op grond van het eerste lid van dit artikel dient het bestuursorgaan in een zo vroeg mogelijk stadium voor de voorbereiding van het bestemmingsplan intern op basis van een vormvrije m.e.r.-beoordeling te beslissen of een project-m.e.r. al dan niet noodzakelijk is. Onder een “zo vroeg mogelijk stadium” wordt voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan verstaan. De m.e.r.-beoordelingsbeslissing dient in de toelichting van het bestemmingsplan te worden verwerkt.

Vanaf 1 woning?
Een veel gestelde vraag is of een vormvrije m.e.r.-beoordeling al benodigd is bij een bestemmingsplan die slechts enkele woningen mogelijk maakt. In het Besluit m.e.r. is geen ondergrens opgenomen, maar er moet wel sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject. Ook daarvan is geen definitie beschikbaar. Dit is afhankelijk van de ruimtelijke impact die het plan heeft ten opzichte van de omgeving. Zo zal de bouw van enkele woningen op een inbreidingslocatie in een bestaande woonwijk nauwelijks ruimtelijke impact hebben, terwijl de bouw van woningen nabij een natuurgebied dit wel heeft. Er dient in ieder geval sprake te zijn van aanzienlijke milieugevolgen. Wellicht dat jurisprudentie in de toekomst hier meer duidelijkheid over gaat geven.

Janita van Gastel
Adviseur Ruimtelijke Ontwikkeling

Buro cinq